Handleiding Hoekgeleidebalksysteem

1. Ontgraaf maximaal 1,5 m, afhankelijk van de bodemgesteldheid en plaats de eerste plaat. Zorg ervoor dat deze eerste plaat veilig staat!

2. Een hoekbalk wordt geplaatst over het einde van de eerste plaat. Vervolgens wordt de tweede plaat in de hoekbalk geplaatst.

3. Vervolgens de tweede hoekbalk plaatsen. De balken en platen worden elke keer zo ver mogelijk in de grond gedrukt.

4. Stap 2 en 3 aan de andere zijde van de put herhalen. Belangrijk is dat het systeem met enige precisie geplaatst is, zodat de vierde plaat tussen de twee hoekbalken past.

5. De vierde plaat in de hoekbalken plaatsen en het systeem zonodig nog eens recht zetten.

6. Platen en hoekbalken stapsgewijs en al gravende laten zakken. Al naar gelang de grondslag dienen de platen voortdurend mee te zakken of zelfs iets op de ontgraving vooruit te lopen. Op ongeveer 2,4 m diepte wordt bij het Enkelhoekgeleidebalksysteem een opzetplaat op de grondplaten gezet en met de juiste bouten gezekerd. Max. diepte 3,7 m. Indien nodig de beschermbalken voor platen en balken gebruiken.

7. Bij de DG-hoek worden de platen in de binnenste geleiding geplaatst. Bij dieptes tot 6,1 m kan een opzetplaat gebruikt worden. Zo kan er tot een diepte van 6,1 m bekist worden. Voor een optimaal resultaat moeten de platen voorlopen (sneller zakken) op de hoekbalken.

8. Stap 7 wordt aan alle kanten herhaald. Indien noodzakelijk worden opzetplaten gebruikt, zoals eerder omschreven.

9. De platen in de buitenste geleiding moeten ongeveer 10 cm boven het maaiveld uitsteken. Dit voorkomt dat de grond in de put loopt.